Preek 1e Paasdag 2019

WIJ ZIJN DE GETUIGEN VAN ALLES WAT HIJ IN JERUZALEM GEDAAN HEEFT.. (Hand.10,39)

Afgelopen maandag werd Parijs – en misschien wel de gehele wereld – opgeschrikt door de brand van de Notre-Dame, misschien niet de mooiste van alle Franse kathedralen, maar wel de icoon ervan, door zijn ligging op dat centrale eiland in de Seine, in het hart van Parijs. Het zien van zo’n brand – die uitslaande vlammen, de vallende vieringtoren – doet je hart een ogenblik stilstaan. Zoveel verwoesting, zoveel moois overboord, smeltende orgelpijpen, springend glas van prachtige ramen -, hoe bouw je zoiets verantwoord weer op…

Tegelijk werd het – bedacht ik – ook een symbool voor de Kerk in West-Europa: ook die staat erbij als na een hevige brand. In een kerk waar vijftig jaar geleden in vijf missen nog zo’n drieduizend gelovigen per zondag samenkwamen, zie je nu op zondag nog net aan honderd parochianen. Parochies werden dan ook gefuseerd, kerken aan de eredienst onttrokken, het steeds geringere aantal priesters over grotere gebieden uitgesmeerd. Daarbovenop lieten de berichten over misbruik binnen de kerkgemeenschap en haar instellingen een groot litteken achter. Er zijn dan ook heel wat mensen die over de toekomst van de Kerk in ons land heel somber zijn.

Eerlijk gezegd heb ik dat zelf minder. Natuurlijk heb ook ik pijn van het zien van wat nu op de eerste plaats een ruïne lijkt, maar misschien heeft het iets met mijn karakter te maken dat ik de hoop niet zo snel laat varen. Of is dat – goed beschouwd – toch niet zomaar mijn karakter, maar is het ten diepste mijn paasgeloof?

Weet u, ik werd ontroerd afgelopen maandag, toen ik op de televisie zag hoe de mensen daar in Parijs tranen in hun ogen hadden en hoe een journalist van de televisie – u weet wel, een van die mensen die altijd alles kunnen plaatsen en duiden – hoe die in ene begon te huilen. In die tranen kwam onverwacht een heel diepe liefde naar boven, een voor mij hoopvolle liefde, een liefde die – denk ik – verder ging dan alleen maar het zien branden van een voor Franrijk belangrijk cultureel monument. De Notre-Dame haalde bij die brand mogelijk bij heel wat mensen ook heel diep verborgen, en misschien deels verloren geloof naar boven, herinnering aan eerste communies en  prachtige gezangen, aan mooie en harmonische tijden. Over de grenzen van het kerk-zijn of kerkbetrokken-zijn heen kwam in die tranen van ontzetting wellicht iets naar boven van de veiligheid die God zelf ons biedt en waarvan zo’n kathedraal toch het symbool is. ‘Huis van God’ zeggen we dan ook, en al nemen we tegenwoordig daar in het voorbijgaan niet onze hoed meer voor af, de heiligheid van zo’n gebouw brengt ons toch terug bij de grond van ons bestaan, bij die diepe overtuiging dat er méér is dan alleen ons lichaam en datgene wat we met het blote oog kunnen zien. Geen wonder dan ook, dat duizenden en duizenden mensen -katholiek of protestant, van huis-uit-katholiek of min of meer ongelovig, daar in de loop van het jaar toch een kaarsje opsteken voor hun lieve oma of voor de vriend of vriendin die zo ziek is. Ja, die diepe ervaring, dat het leven groter is dan ons lichaam en dat er Een is die ons behoedt – die is in ons oude Europa nog niet verdwenen; soms getuigen juist onze tranen daarvan. Daar moeten we heel zuinig op zijn en er ook voorzichtig mee omgaan en het durven te activeren. Want het zijn tranen niet alleen van nostalgie, maar evenzeer van hoop.

“Dat zoiets nu net moet gebeuren in de paasweek”, zei iemand over de radio, sprekend over de brand in Parijs. En zo is het maar net. Want in de Paasweek – waarin het kruis zo centraal staat – en daarmee elke vorm van pijn en lijden, honger en brand – belijden en vieren wij als Kerk met overtuiging, dat niet de dood en de afbraak en het kwaad het laatste woord hebben, maar dat zij – hoe dan ook – zullen worden overwonnen; omdat de verrezen, opgestane Christus ons heeft laten zien, dat ons leven inderdaad groter is dan ons lichaam, en dat alle afbraak en ineenstorting ooit door heropbouw kan worden gevolgd; ja, dat geloven wij, dat het kwaad kan worden overwonnen door het goede. Wij worden vandaag opgeroepen om van dat verrijzenisgeloof – van dat opstandingsgeloof – te getuigen.

Daarbij mag een vrouw uit de evangelieteksten van vandaag ons grote voorbeeld zijn: Maria Magdalena. Zij wordt in het Johannesevangelie van vandaag ook als eerste genoemd in verband met de verrijzenis. En dat, nadat haar eerder door Jezus wel zeven duivels waren uitgedreven. Zeven duivels maar liefst; dat moet een grote brand zijn geweest! Maar nu geldt zij als eerste getuige van Jezus’ opstanding, de eerste getuige van dat geloof dat niet ons lichaam, niet deze aarde, maar ons leven in die nieuwe hemel en die nieuwe aarde het laatste woord heeft. Het is daarom dat Paulus ons vandaag toeroept: “Zint op het hemelse, niet op het aardse”, je moet niet blijven staan bij de feiten, bij enkel dát wat zichtbaar en bewijsbaar is, je moet durven geloven in het visioen… Maria Magdalena heeft dat aangedurfd!

Wij zijn getuigen… Over getuigen gesproken: hoe vaak zeggen wij mensen en zelfs dát nog met enige aarzeling: ‘Van huis uit ben ik katholiek’, of ‘eigenlijk ben ik katholiek’. En dat klinkt alsof we er afstand van willen nemen. Maar na de schande van het kruis – en wat was dat een afgang – stond Maria Magdalena op en liep naar de apostelen om hen te zeggen, dat Jezus leefde – dat het graf niet het laatste woord had maar zijn leven. En het verhaal gaat, dat zij later naar Rome is getrokken om er publiek en voor de keizer zelf van Hem te getuigen en dat zij daarna naar Zuid Frankrijk is gegaan om ook daar de  hoop en het uitzicht op nieuw leven te brengen. Maria Magdalena is een vrouw van de verrijzenis: zij moedigt ons in deze dagen aan om dat ook zelf te worden: mensen van de verrijzenis; mensen van nieuw leven. Het is daarom dat paus Franciscus haar in 2016 officieel de eretitel: ‘Apostel der apostelen’ gaf.

Zusters en broeders, de Notre-Dame zal herrijzen, de ruïne zal weer kerk worden en opnieuw duizenden mensen naar binnen lokken. Datzelfde zal met heel de Kerk kunnen gebeuren, ook in ons land, misschien op een nieuwe manier – wie zal het zeggen – maar dan moeten wij wel fier blijven en evenals die vrouw uit Magdala publiek durven te getuigen van de liefde van God, die zich – vraag het maar aan haar – soms ook in de tranen van mensen zichtbaar maakt.